Dromen
De column van Gert Visser
30 mei 2026 Gert Visser
“Wat wil jij later worden?” Die vraag wordt kinderen al gesteld zodra ze een beetje kunnen praten. In mijn jeugd waren de antwoorden overzichtelijk: piloot, brandweerman, politieagent of misschien wel timmerman. Tegenwoordig hoor je eerder influencer, DJ, YouTuber of profvoetballer. De tijd waarin je opgroeit bepaalt voor een groot deel waar je van droomt.
Als ik onze kleinkinderen zie, die nu op de middelbare school zitten, valt me op hoeveel er veranderd is sinds de jaren zestig. Hun wereld draait om cijfers, toetsen, profielen en voortdurend presteren. Alles lijkt meetbaar geworden. Wie niet direct weet wat hij wil worden, krijgt al snel het gevoel achter te lopen.
Uit onderzoek blijkt dat de druk en stress onder scholieren de afgelopen twintig jaar enorm zijn toegenomen. Misschien legt de maatschappij wel te veel nadruk op diploma’s, niveau en carrièrekansen. Alsof je toekomst al op je vijftiende vast moet liggen.
Dat was in mijn jeugd wel anders. Ik mocht naar de HBS. Wie dat bepaalde: het hoofd van de school, de meester van de zesde klas. Toetsen of profielen waren er nog niet.
Maar mijn ouders vonden dat ik eerst maar eens mijn MULO-diploma moest halen. “Daarna moet je maar verder kijken,” zei mijn moeder. “En je zakgeld verdien je zelf maar met baantjes.” Ik had al snel een baantje bij de bakker. Dat vond ik al best leuk. Maar misschien kwam ik onderweg nog wel iets tegen wat ik nog leuker vond. Ook ik droomde van een leven als profkeeper. Ik wilde wel Jan van Beveren worden. Dat was mijn ultieme droom.
De gedachte van mijn moeder was wel logisch. Kijk eerst maar een beetje de kat uit de boom. Mijn ouders hadden zelf nauwelijks kansen gehad om door te leren. De leerplicht liep vroeger maar tot twaalf jaar. Daarna moest er gewerkt worden. Er moesten centjes verdiend worden.
Mijn vader zei altijd dat ik vooral een vak moest leren. Ooit liet hij mij toen ik mijn diploma haalde een advertentie van Shell zien. Ze zochten in de jaren zestig ‘procesoperators’. Ik had geen idee wat dat was, mijn vader waarschijnlijk ook niet, maar voor hem klonk het in ieder geval beter dan het zware en vuile fabriekswerk waar hij zelf terecht was gekomen. Ouders willen immers in iedere tijd het beste voor hun kinderen. Dat geldt voor toen en voor nu.
Op jonge leeftijd weet je meestal nog helemaal niet wie je bent, laat staan wat je later wilt worden. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar meestal bepalen toeval, ontmoetingen en omstandigheden uiteindelijk de richting van je leven.
Dat zie ik ook bij onze kleinkinderen. Ze moeten nu al keuzes maken over profielen, studies en beroepen, terwijl hun leven eigenlijk nog moet beginnen. Tegelijkertijd zie ik ook hoe belangrijk het is dat jongeren iets doen waar ze plezier in hebben.
Onze oudste kleinzoon verhuurt als bijbaantje bootjes op een camping. Hij geniet zichtbaar van het contact met mensen, het buiten zijn en de vrijheid van het werk. Onze jongste kleinzoon leeft helemaal op als hij op de golfbaan staat. Misschien zijn dat op dit moment wel hun dromen. En misschien zijn ze daar, zonder het zelf te beseffen, nu al mee bezig.
Misschien hoeft niet alles direct vast te liggen in diploma’s en carrièreplannen. Soms ontdek je pas onderweg waar je goed in bent en waar je gelukkig van wordt.
Uiteindelijk behaalde ik mijn MULO-diploma, iets waar mijn ouders en ik ontzettend trots op waren. Daarna volgden allerlei baantjes, wat vallen en opstaan en af en toe wat bijleren. Ik werd geen procesoperator, geen Jan van Beveren, maar uiteindelijk kwam ik ook op mijn pootjes terecht.
En eerlijk gezegd ben ik nog steeds blij met het eenvoudige advies van mijn ouders: neem de tijd, leer onderweg, verdien wat centjes en probeer vooral iets te vinden waar je met plezier je bed voor uitkomt.
