Sting en de Stormpolder
De column van Gert Visser
7 maart 2026 Gert Visser
Onlangs zag ik fragmenten uit de musical The Last Ship, waarin Sting een persoonlijk eerbetoon brengt aan zijn jeugd in Noord-Engeland en aan de arbeidersgemeenschap waarin hij opgroeide.
Zijn verhaal volgt een hechte gemeenschap die vecht voor haar toekomst na de sluiting van de scheepswerf in het plaatsje Wallsend. Over mannen en vrouwen die hun dagen aan het werk gaven. Over de pijn van verandering toen de industrie verdween. En over de liefde aan dat leven die bleef, zelfs toen de kranen zwegen.
Sting keert terug naar zijn wortels. Hij erkent het zware werk en de offers die zijn gebracht, en houdt tegelijk vast aan de band met de plek waar hij vandaan komt.
Ik moest aan de Stormpolder in Krimpen denken. Ik herkende zijn verhaal. De geur van de koolteerfabriek, van de scheepswerven en het soms stinkende water van de Hollandsche IJssel zit kennelijk nog altijd in mijn neus.
Ook de Stormpolder was in de vorige eeuw een plek waar onder zware omstandigheden werd gewerkt. Veel Krimpenaren vonden er hun bestaan: bij Van der Giessen, bij Hollandia of op de Koolteer. Dat waren de grote werkgevers van Krimpen aan den IJssel, de ruggengraat van een hele gemeenschap.
Mijn familie van vaderskant woonde toen in de polder, in een klein huis aan de oever van de rivier, met een houten wc buiten. Mijn opa en mijn vrijgezelle ooms werkten bij Van der Giessen, eerst als klinker en later als lasser.
Het werk was zwaar en het verdiende bescheiden, maar ze droegen hun vak met trots. De fabriek was een deel van wie ze waren, ook al spraken ze dat nooit hardop uit.
Mijn vader werkte ‘op de Koolteer’. De geur van de fabriek hing in zijn overalls die aan een haak in de schuur hingen. Hij hield van die geur, hoe ongezond die ook was.
Als klein jongetje ging ik met hem mee als hij zijn vrijgezelle broers bezocht. Op de tafel met een kleed lagen pakjes shag van Van Nelle en Drum. Er stond dampende koffie en af en toe een borreltje.
Het gesprek ging over het werk, over de fabriek, maar ook over de plaatselijke voetbaltrots DCV. Over spelers die goed waren. Over spits Pieter de Haij, over keeper Frank van Wijnen. En het ging natuurlijk ook over de voetbalpool. Altijd de hoop op dertien goede uitslagen.
Een van mijn ooms was lid van de supportersvereniging van DCV en reisde de club achterna met de supportersbus. Op zondagmiddag at hij bij ons. Na het eten volgde de wedstrijd. En altijd was er die hoop op winst voor zijn club.
Het zijn geuren en beelden die nooit verdwijnen. Telkens als ik door de Stormpolder fiets of loop, word ik even teruggeroepen.
Naar de fabrieken, naar die overalls, naar die zware arbeid. Naar de mannen en vrouwen die opgroeiden in de schaduw van schoorstenen en scheepsrompen.
Zoals Sting zijn afkomst blijft omarmen, zo draag ik die van onze familie met me mee. Niet alleen uit nostalgie, maar uit respect. Het is een soort kompas dat je nooit kwijt raakt.
