Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie: lees ons cookie-beleid of verberg deze melding. ×

Keine experimente

De column van Reinier Cornet

17 januari 2026 Reinier Cornet

We krijgen een minderheidskabinet! Het is natuurlijk een beetje saai als je als columnist een voorspelling doet en een paar maanden later precies dat gebeurt wat je toen al voorspelde. Ik wil mezelf daarbij ook niet op de borst kloppen, want je hoefde geen verrekijker nodig te hebben om te zien wat er zou gaan gebeuren. Toch is het geruststellend om te merken dat er met mijn politieke richtingsgevoel nog niet zoveel mis is.

Nederland en minderheidskabinetten: het is geen gebruikelijke combinatie. In Nederland zijn we gewend om de meerderheid al aan de voorkant te regelen. Je wilt immers als regering wel weten waar je aan toe bent. Als je voortdurend over elk onderwerp moet onderhandelen en niet weet wat eruit komt, is de kans op stilstand en besluiteloosheid groot. Het is wel zo dat we al heel lang geen kabinetten meer hebben die ook in de Eerste Kamer op een meerderheid kunnen rekenen. Maar een kabinet zonder breed mandaat in de Tweede Kamer, en waar ook niet vooraf gedoogsteun door een andere partij wordt gegeven, is uniek.

We moeten ver terug in de geschiedenis voor een dergelijke constructie. De laatste keer dat er bewust een minderheidskabinet werd gevormd was in 1939. Voor de oorlog dus. Toenmalig premier Colijn kreeg van koningin Wilhelmina de opdracht een minderheidskabinet te formeren, nadat pogingen om in een versnipperde Kamer een meerderheid te organiseren op niets waren uitgelopen. Dit kabinet werd al na twee dagen door de Tweede Kamer naar huis gestuurd. Een veeg teken aan de wand.

In zo’n vaart zal het met Jetten-1 niet lopen, maar de versnippering en ingewikkelde politieke context doen wel denken aan de staat van het land zo’n negentig jaar geleden. Overigens is dat, met alle onrust in de wereldpolitiek, niet het enige parallel met de jaren dertig van de vorige eeuw.

Keine Experimente, zo luidde de slogan van de Duitse naoorlogse bondskanselier Konrad Adenauer. Daarmee bedoelde hij te zeggen dat de wederopbouw van ons buurland gebaat was bij solide en stabiel leiderschap. Eigenlijk is diezelfde slogan ook nu van toepassing. Nederland heeft behoefte aan een kabinet dat eindelijk weer keuzes durft te maken om het land verder te brengen. De ervaring leert dat het maken van grote keuzes in minderheidskabinetten bijna onmogelijk is.

Bij grote keuzes horen immers ook moeilijke keuzes die pijn doen. Waarom zouden oppositiepartijen meewerken aan het maken van die keuzes als zij er zelf geen enkele regeringsinvloed mee winnen? Je hoeft echt geen politiek wonder te zijn om te begrijpen dat een minderheidskabinet voortdurende onzekerheid betekent. De vergelijking met Scandinavische landen wordt snel gemaakt, maar die gaat mank. Veel Scandinavische landen kennen slechts één Kamer, wat de puzzel eenvoudiger maakt. Belangrijker nog: daar worden vooraf afspraken gemaakt over gedoogsteun. Wezenlijk anders dus dan wat het experiment-Jetten inhoudt.

Zo’n formatieperiode is eigenlijk altijd gruwelijk saai. En hoewel er naar verwachting snel een nieuw kabinet zal zijn, wordt het veel interessanter om te kijken wat er lokaal gaat gebeuren. De gemeenteraadsverkiezingen staan namelijk voor de deur. Nog twee maanden en een dag om precies te zijn. Voor mij zal het even wennen zijn

om nu de rol van geïnteresseerde toeschouwer te spelen in plaats van die van actieve kandidaat. Aan een voorspelling waag ik mij niet, aangezien de meeste mensen pas kort voordat zij in het stemhokje staan tot een keuze komen.

Net als bij de landelijke politiek wordt het minstens zo interessant om te zien hoe partijen na de verkiezingen tot een coalitie komen. Partijen vergeten vaak dat je na een stevige campagne ook weer met elkaar moet samenwerken om meerderheden te vormen. Wie dan leeft, wie dan zorgt, wordt vaak gedacht. Eerst maar eens de grootste worden. Dat is een gevaarlijke strategie, want hoe harder je je tegen anderen afzet, hoe groter de kans dat je uiteindelijk alsnog in de oppositie belandt.

Ik ben vooral benieuwd wat er gaat gebeuren. De afgelopen jaren was het vaak onrustig in de raad, maar inhoudelijk had dat niet zo veel te betekenen. Sinds het beslechten van de kwestie van de zondagsrust zijn er nauwelijks nog echte inhoudelijke tegenstellingen. Dat is jammer, omdat personen en onderlinge verhoudingen daardoor vanzelf belangrijker worden. En als er iets is wat ik de gemeenteraad gun, dan is het wel dat die onderlinge verhoudingen de komende jaren eens níét leidend zijn. De traditionele coalitievorming met een kleine selectie van partijen die samen een meerderheid vormen, is de afgelopen jaren slecht bevallen. Misschien kan een nieuwe manier van coalitievorming – laten we het een experiment noemen – juist lokaal verrassend vruchtbaar zijn