Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie: lees ons cookie-beleid of verberg deze melding. ×

De zaterdagse karavaan

De column van Gert Visser

18 oktober 2025 Gert Visser

Zomaar een zaterdagmorgen in oktober, half negen. De mist hangt nog laag over de weilanden, maar de eerste autokaravaan is al onderweg. Honderdduizenden kinderen in sportkleren, met een boterham in de hand achter een schermpje op de achterbank. Ouders voorin, koffie in de bekerhouder, navigatie ingesteld op een sportpark drie dorpen verderop.

De snelwegen en dorpsstraten vullen zich met een file van gezinsauto’s, allemaal met hetzelfde doel: een potje voetbal, hockey of korfbal van hooguit een uurtje. Het blijft een wonderlijk gezicht, de stoet van vaders en moeders die hun kinderen op zaterdag trouw naar het sportveld brengen.

Voordat die karavaan op pad gaat, verzamelen de teams zich op de parkeerplaats bij de club. Daar zie je leiders driftig appen: “Waar blijven ze?” Een aantal ouders blijkt al “op eigen gelegenheid” vertrokken. 

En zo rijden er voor een pupillenteam van elf kinderen gerust zes of zeven auto’s tegelijk naar hetzelfde dorp voor een uitwedstrijd. Geen wonder dat er nauwelijks nog een parkeerplek meer te vinden is bij een sportcomplex.

Hoe anders was dat, pakweg een halve eeuw geleden. Het zijn onvergelijkbare tijden, maar te leuk om nog eens op te halen.

Toen stapte de schrijver van deze column niet ín, maar óp. De fiets, welteverstaan. Banden opgepompt, hard zadel, en als het regende, dan regende het gewoon. Geen gezeur. We vertrokken in een lange rij, met een leider voorop en een leider achteraan: een klein peloton van jongens met een voetbaltas met boterhammen van je moeder en een bal onder de snelbinder.

In mijn geval ging het richting voetbalvereniging Neptunus in Rotterdam, via de Gordelweg. We verzamelden onderaan de Algerabrug in Krimpen. Voor alle duidelijkheid: we waren al boven de tien, want jonger mocht je nog geen lid worden van de voetbal. Auto’s waren er nauwelijks, dus wij trapten gewoon. En ouders bleven thuis, die hadden andere dingen te doen.

Luxe was het niet, maar we wisten niet beter, dat hoorde erbij. Je kwam vaak al moe aan vóór de wedstrijd begon, en na afloop, met modder tot achter je oren, fietste je net zo vrolijk weer terug. De leider telde of iedereen er nog was, en pas als het laatste wiel de dorpsgrens passeerde, was de dag echt voorbij.

Soms denk ik: wat zou er gebeuren als we het weer eens deden zoals toen? Met z’n allen op de fiets, de leider voorop, de wind in de rug richting Rotterdam. Zie je de rijen fietsende kinderen al rijden? Het is volstrekt ondenkbaar en onverantwoordelijk. Maar wel leuk die vergelijking te maken. 

Mijn ouders kwamen nauwelijks bij mij kijken. Zij waren druk met het huishouden of moesten werken. Mijn voetbaltas pakte ik zelf in en als ik mijn tas thuiskwam en aan mijn moeder gaf om te wassen werden mijn voetbalschoenen aan mij gegeven. Die moest ik zelf schoonmaken met een borstel. Zo ging dat. 

Nu zijn ouders veel meer betrokken. En dat is ook hartstikke leuk. Want als de wedstrijd eenmaal begint, en de bal rolt dan is alle stress even vergeten. Dan staan diezelfde ouders, met natte voeten en koude handen, langs de lijn te juichen alsof ze in De Kuip zitten. 

De zaterdagmorgen is nu eenmaal het nationale ritueel van logistieke chaos en gedoe, maar ook van liefde voor de sport en voor de sportende kleintjes. Zaterdagochtend, we kijken er iedere week naar uit …