Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie: lees ons cookie-beleid of verberg deze melding. ×

De sabel van bromsnor

De column van Bert van Oosterhout

20 februari 2021 Bert van Oosterhout

Een raadseltje: wie kennen de bewoners van de wijk Kortland-Noord het beste? Hun wijkagent of veldwachter Bromsnor uit de tv-serie Swiebertje? Ja, laat maar zitten. Bromsnor wint op zijn sloffen. En dat is ook zo met veldwachter Flipsen uit de verhalen van Dik Trom en veldwachter Geitebrei uit Pommetje Horlepiep. Wat voor Kortland-Noord geldt, gaat waarschijnlijk ook op voor de andere wijken van Krimpen aan den IJssel.

Een niet wetenschappelijk verantwoord onderzoekje leerde mij dat geen van zes geraadpleegde vrienden en bekenden, zijn of haar wijkagent kent. Voor alle duidelijkheid, de ondervraagden wonen keurig verspreid door het dorp. Een kleine bloemlezing uit hun antwoorden leert ons het volgende:

Ken je je wijkagent?

1) Nee, nooit gezien of gehoord.
2) Geen idee wie dat is. Sorry.
3) Wel eens iets over gelezen. Maar hoe die nou heet.
4) Jaren terug eens gezien. Ik weet niet eens of hij nog wijkagent is.
5) Echt niet. Al sla je me dood.

Nou, dat liegt er niet om. Als we de antwoorden van mijn mini enquête serieus moeten nemen, staan de Krimpense wijkagenten er niet goed op. In plaats van streng maar rechtvaardig de boosdoeners in hun wijk tot de orde te roepen, zitten ze... ja, waar zitten ze eigenlijk?

Laten we mijn enquête maar even niet serieus nemen. Als ik mijn vrienden en vriendinnen moet geloven – wat ik meestal doe – is er in ons dorp geen exotischer verschijning dan juist de wijkagent. Je kunt letterlijk iedere mede-dorpsbewoner tegen het lijf lopen. Maar de wijkagent.....ho maar. Ja, eens in de zoveel weken passeren er wel eens twee agenten in een patrouillewagen. Maar of dat nou wijkagenten zijn. Ik weet het niet.

Dit is ongeveer het praatje dat je op een gezellige verjaardag kunt beluisteren, wanneer om welke reden dan ook de wijkagent ter sprake komt. En je vraagt je af, hoe komen onze brave dienders toch aan dit weinig vleiende profiel?

Deze verre nazaten van wat in het grijze verleden de veldwachter was, zijn nota bene opgeleid om in actie te komen wanneer er ergens in het dorp iets fout gaat. Of fout dreigt te gaan. Bedenk het maar: burenruzie, geluidsoverlast, een hond die met z'n gejank de buurt wakker houdt, hangjongeren, vernielzuchtige pubers, drugs, etc. Het is dus wel handig als iedereen weet hoe de lokale koddebeier heet. En hoe hij of zij te bereiken is. Maar zo werkt het lang niet altijd.

Als ik een complotdenker zou zijn – een belachelijk idee – zou ik er misschien van uitgaan dat sommige agenten het liefst onzichtbaar blijven. Er loopt immers altijd wel een mafkees rond die zonodig een klinker door hun ruit wil smijten. Of die hun dochter wil stalken. Dan wel hun nieuwe winterbanden kapot wil snijden. Daar zit niemand op te wachten en onze agenten dus ook niet.

Bovendien staat 'nauwelijks zichtbaar' zijn op gespannen voet met het politiewerk. Oppassende dorpelingen als wij, hebben geen behoefte aan minder blauw op straat. Verre van dat. De wijkagent moet gewoon altijd duidelijk aanwezig zijn in de wijk. En dan lekker in de buitenlucht, op de fiets. Hartstikke gezond ook nog.

Een van de door mij geraadpleegde vrienden vroeg mij waarom ik het vandaag eigenlijk over de wijkagent wil hebben. Goeie vraag. Het komt zo: de politie en de gemeente Rotterdam beginnen dit voorjaar een grote campagne om de bekendheid van wijkagenten te vergroten. Alle huishoudens krijgen een flyer in de bus met daarop de naam, een foto en het e-mailadres van hun agent. “Dat is goed voor de veiligheid in de wijken”, zeggen ze in 010. Kijk aan, denk ik als ik dit lees. Een prima initiatief.

Overigens niet bedacht door de politie, maar door de fractievoorzitter van Leefbaar Rotterdam, Joost Eerdmans. Hij is erop uit de wijkagenten 'meer smoel' te geven. Het stadhuis en de politie steunen zijn voorstel. Nou, goed voorbeeld, doet goed volgen. De moeite waard, lijkt me, om eens even te luisteren hoe de politievlag in Krimpen erbij hangt. En bij wie kan ik dan beter te rade gaan, dan bij 'mijn' wijkagent – Nicolet Cornelder.

Nicolet gewoon even thuis bellen, is er niet bij. Daar bestaat een apart draaiboekje voor. Zoals bij zoveel instellingen gaat zelfs het simpelste telefoontje langs een centraal nummer. Bel ik het gemeentehuis in Krimpen aan den IJssel – pakweg tien minuten lopen van mijn huis – word ik via een landelijk nummer doorverbonden naar het dorp waar ik al ruim een halve eeuw woon. En bel ik – op zoek naar de wijkagent – de plaatselijke politie, is het van hetzelfde laken een pak. Of dat nou allemaal zo efficiënt is, weet ik niet. Maar dat kan aan mij liggen.

Hoe het ook zij, wijkagent Nicolet praat mij desgevraagd met plezier bij. Dat betekent allerminst dat ze meteen haar hele identiteit op tafel legt. Kan ik inkomen. Een agent mag dan 24 uur van de 24 uur agent zijn, ook voor hem en haar bestaat zoiets als privéleven.

Nicolet en haar collega's zijn volgens de geldende opvattingen de 'ogen en oren in de wijk'. En daar zit 'm nu juist de crux. Ze komen daar namelijk onvoldoende aan toe. In dagblad Trouw liet de Inspectie Justitie en Veiligheid vorig najaar weten dat – zeer in het algemeen gesproken – de wijkagenten de greep op de wijk dreigen te verliezen. Goede kennis van de wijk en zijn bewoners was ooit de trots van de Nederlandse politie. Maar dat is verleden tijd. In het gunstigste geval werkt een doorsnee wijkagent 80% in de wijk en 20% erbuiten.

Hij en zij moeten zo dikwijls bijspringen bij rellen, arrestaties van drugs-geteisem en wat al niet, dat hun core business – het werk waar ze speciaal voor zijn opgeleid – in het gedrang dreigt te komen. En wij hier in de polder blijven met de gebakken peren zitten. 'Oom agent' heeft nu even geen tijd om een dreigende burenruzie te bezweren. Zijn we mooi klaar mee. Je zou bijna terug verlangen naar de tijd dat veldwachter Bromsnor, compleet met sabel, zijn gezag liet gelden. Dat waren nog eens tijden.

Prettig weekend.
Blijf gezond.

20 februari 2021.
Bert van Oosterhout