Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie: lees ons cookie-beleid of verberg deze melding. ×

Het is stil op straat

De column van Bert van Oosterhout

6 februari 2021 Bert van Oosterhout

Kwart voor negen. De eerste vrijdag in februari. Jekker, sjaal en pet beschermen me voldoende tegen de kille avondwind. Het is stil op straat. Op dit tijdstip van de avond is het meestal wel rustig in de buurt. Een enkele bewoner van de naastgelegen seniorenflat laat zijn hondje uit. Twee meisjes op de fiets maken haast. Het loopt tegen negenen, begin van de avondklok.

Net op tijd steek ik de sleutel in het slot van de voordeur. De stilte glijdt van me af. In de huiskamer ga ik een andere wereld binnen. Op tv presenteert Astrid Joosten onze favoriete quiz Twee voor twaalf . Altijd een plezierige uitdaging om onze feitenkennis te toetsen aan die van de deelnemers.

Dit is de tweede vrijdag sinds het begin van de avondklok. Mijn vrouw en mij maakt het niet echt uit. In najaar en winter zijn wij op dit uur van de dag sowieso binnen. Ook zonder avondklok. Afgezien dan van die paar keer dat we bij de buren in de tuin om de vuurkorf zaten. Natuurlijk met de onvermijdelijke wijn en snacks bij de hand. Je moet wat om het moreel hoog te houden.

We weten intussen dat nogal wat opstandige typen hun moraal met verkeerde middelen op peil houden. In dat verband denk ik een tikje geamuseerd terug aan zaterdag 23 januari. Klokslag 2100 uur werd niet ver van ons huis een spectaculair vuurwerk afgestoken. Als een startschot voor de avondklok. Natuurlijk tegen alle afspraken in. Maar wel mooi om te zien. Geen idee wie die kleurrijke knallers de lucht inschoot. Ik wil het niet weten ook. Voor mij mag je best eens zo'n uitroepteken plaatsen.

Intussen staat het leven onverminderd in het teken van de Covid-crisis. In vele sectoren wringen mensen zich in allerlei bochten om iets van hun handel, hun theatervoorstelling, hun onderwijs etc overeind te houden. En dankzij allerhande creatieve geesten, gebeurt dat dikwijls met succes.

Op de kop af een week geleden, leidde één gebeurtenis even de aandacht af van de dagelijkse virus-beslommeringen: de jaarlijkse holocaust-herdenking in Amsterdam. Een droevig en eerbiedig saluut aan de miljoenen joden, roma en sinti die in de kampen van Adolf Hitler zijn vergast, doodgeknuppeld, opgehangen, uitgehongerd en doodgeschoten. Gewoon omdat ze jood waren, roma en sinti. Anders dan de toenmalige Duitse barbaren.Van wie er uiteindelijk te veel de dans ontsprongen.

In het Wertheim-park in Amsterdam – bij dat ontroerende spiegelmonument van Jan Wolkers – klonk het zoals elk jaar op dit moment: Nooit meer Auschwitz. Het heeft iets van een bezwering. Een garantie zelfs. Maar helaas lijkt de garantietermijn allang verstreken. De overlevenden van de kampen en hun nageslacht weten het. En wij ook. Luister bijvoorbeeld maar naar de spreekkoren op voetbaltribunes. Ja, ja, er zijn ook fatsoenlijke fans. Vertel mij wat. Maar het gebrul van het geteisem klinkt altijd luider.

De herdenking in de winterkoude hoofdstad had wegens corona een uiterst sober karakter. Ik kom erop terug omdat gedenken niet aan een datum is geboden. Verdriet, tranen en totaal onbegrip kennen geen kalender. Wie terug kwam uit de hel krijgt haar nooit uit zijn of haar wezen. Volgende generaties zien de pijn, maar kunnen haar niet genezen.

Nog even en er zijn geen overlevenden meer. Maar het onbegrijpelijke kwaad van Auschwitz, Bergen-Belsen, Sobibor, Neuengamme, Westerbork, Dachau, Treblinka, Mauthausen, Buchenwald behoort daarmee niet tot het verleden. Het is het product van zieke geesten, dat als een virus steeds weer de kop opsteekt.Waakzaamheid is daarom geboden.

Kinderen en kleinkinderen van slachtoffers zijn zich bewust van het kwaad. Zij weten dat anti-semitisme en racisme hardnekkiger zijn dan Covid-19. Maar nog te veel jonge mensen gaan daar achteloos aan voorbij. Er is meer nodig dan de jaarlijkse herdenking om hen bij de les te houden. Al vaak is geopperd de bestudering van de holocaust – de systematische uitroeiïng van joden – een vast onderdeel te maken van het geschiedenisonderwijs. Het moet er nu maar eens van komen.

Hoe bizar het ook klinkt, een excursie naar een voormalig nazi-kamp zou wel eens heel verhelderend kunnen werken. Valt natuurlijk niet te vergelijken met een weekje keten in Rome. Ik zou het daarom niet aanbevelen als afscheidsreisje van de middelbare school. Maar ergens in het lesprogramma van de bovenbouw zou zo'n excursie haar doel niet missen, denk ik. Leerlingen en docenten kunnen er hun voordeel mee doen.

Wij zagen de herdenking in het Wertheim-park op televisie. Een uitzending ingeklemd tussen WNL op zondag en het journaal. De vluchtigheid van het moment deed niets af aan het respect waarmee de herdenking in beeld werd gebracht. Maar na afloop was het al gauw business as usual. Het ritme van alledag hernam zijn loop.

En dan, als in een soort Pavlov-reactie dwalen mijn gedachten af naar de ontmoeting met Nobelprijs-winnaar Elie Wiesel. We schrijven december 1986. Schrijver, leraar en getuige werd hij in het New York Times Magazine genoemd. En 'Wiesel viert de triomf van het overleven, van zingen en dansen ondanks de pijn in het hart.'

Mooie, dichterlijke woorden. Goed bedoeld en ongetwijfeld besteed aan de kleine, broze man die tegenover me zit. Zijn ogen, die me beurtelings indringend en zacht glanzend aankijken, dwalen af en toe naar buiten, waar een kille regen tegen de wolkenkrabbers op Third Avenue plenst. Er zit sneeuw in de lucht.

Verbeeld ik het me of schijnt er door zijn ogen heen nu echt iets van een onpeilbare pijn? Verdriet dat zich voor altijd heeft genesteld in deze frêle jood, die getuige is geweest van onbeschrijfelijk kwaad. In vier concentratiekampen van nazi-Duitsland. Zijn moeder, vader en zijn jongste zus overleefden het niet.

Urenlang hebben we, als het ware op de tast, gezocht naar de wortels van het kwaad. Voor minder doen we het niet. Ik ben niet voor niets naar New York gevlogen. Maar de schrijver, denker, overlevende en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, – die in juli 2016 overleed – helpt me niet uit de brand. Het is niet anders.

Terug in de tijd. Het Wertheim-park is intussen verlaten. Bezoekers en overlevenden zijn naar huis. Het is stil geworden op straat.

Een goed weekend.

Blijf gezond.

6 februari 2021

Bert van Oosterhout